Pers        
             
   

Filosofie magazine publiceerde in november een recensie van Denken op de plaats rust: http://www.filosofiemagazine.nl/nl/artikel/29608/heidegger-zegene-de-greep.html

Hieronder mijn reactie

 

Geen dogmatiek te bekennen
Henk van der Waal

Onder de kop ‘Heidegger zegene de greep’ publiceerde Filosofie Magazine in de maand november een recensie van Denken op de plaats rust, een boek dat ik onlangs publiceerde. De recensent, Sjoerd de Jong, begon zijn bespreking met een enkel schouderklopje, maar raakte allengs geïrriteerd vanwege de zijns inziens wat grofmazige geschiedenis die ik schets als voorbereiding op mijn eigen verhaal. Wellicht doe ik er beter aan niet op De Jongs bespreking in te gaan, maar omdat hij de kern van mijn betoog zonder deugdelijke argumentatie karakteriseert als ‘de dood in de pot van elke filosofie die nog iets wil beweren’, waar ik juist wel wat beweer en de filosofie ook nog eens nieuw leven inblaas, kan ik niet anders dan een poging ondernemen zijn kritiek te pareren. Om daarbij niet te wijdlopig te worden laat ik een aantal andere punten die De Jong me voor de voeten werpt, zoals het niet behandelen van Frege en Tarski en mijn vermeende schatplichtigheid aan Heidegger, hier onbesproken. Die kanttekeningen bij mijn boek lijken vooral voort te komen uit een vooroordeel tegen het soort filosofie dat ik voorsta en vragen eerder om een debat dan om een schriftelijke reactie.

De kern van mijn betoog kwalificeert De Jong behalve als ‘obscuur en problematisch’ ook als een ‘dogmatische indeling van menselijke ervaring’. Inderdaad sta ik een indeling voor van de menselijke ervaring, en wel in drie ervaringsbereiken. Die indeling is helemaal niet obscuur, maar zo logisch en helder dat De Jong zich er blijkbaar door in de hoek gedreven voelt en uiteindelijk grijpt naar het woord ‘dogmatisch’ om ervan af te zijn.
Het klopt dat ik niet zo erg houd van het filosoferen met open eindjes dat in de lage landen nogal eens wordt bedreven en dat ik probeer de inzichten die ik over het voetlicht breng, met argumenten te onderbouwen. Mijns inziens is dat het handwerk van de filosoof: onderscheidingen aanbrengen die logisch zijn en die inzicht bieden in en geënt zijn op de menselijke ervaring. Dit filosofisch handwerk karakteriseer ik in mijn boek expliciet als het doen van een voorstel: het zou zo kunnen zijn dat het je inzicht vergroot als je er zo en zo tegenaan kijkt. Daar is niets dogmatisch aan.
Daar komt nog bij dat alle begrippen die ik in dit boek introduceer een bijzonder helder handvat aanreiken om zaken als dogmatiek en fundamentalisme te definiëren, te herkennen en te bestrijden. Of De Jong heeft er niets van begrepen, of ik ben in mijn eigen zwaard gevallen, dat kan ook.

Maar over welke onderscheidingen hebben we het hier nu eigenlijk? Heel in het kort beweer ik dat de mens in drie logische verhoudingen leeft. Die verhoudingen kleuren de ervaring die binnen het bereik van die verhouding optreedt. De eerste verhouding is die van de mens tot de materie of objectieve werkelijkheid. Met wat moeite en wat mitsen en maren kunnen we over die werkelijkheid kennis vergaren en ware uitspraken doen. Deze verhouding ligt daarom ten grondslag aan het ervaringsbereik van de waarheid. Niemand kan zich daaraan onttrekken, omdat iedereen is uitgerust met een lichaam en via zijn zintuigen kennis op moet doen over de werkelijkheid om dat lichaam in leven te houden.
De tweede verhouding is die tot de ander. Die ander is niet tot iets objectiefs terug te brengen. Doe je dat wel, dan maak je een ‘categoriefout’ en doe je die ander tekort. Ik ben natuurlijk niet de eerste die dat zegt, maar wel een van de weinigen die daar ook precies de reden voor probeert te geven, en wel door de categorieën of bereiken die ik onderscheid niet alleen maar te stellen, zoals de meeste filosofen hebben gedaan, maar ook te funderen. Hoe komt het dat de ander zich niet alleen als object, maar ook als subject aan mij voordoet, is de vraag die dan voorligt. Dat komt mijns inziens doordat die ander mij aanspreekt op wie ik ben en op wat ik doe. Via dit aanspreken subjectiveren mensen elkaar en introduceren daarmee een nieuw bereik in dat van de objectiviteit, namelijk het bereik van de intermenselijke subjectiviteit of de aanspraak.
Ik vind het van eminent belang dat het inzicht doordringt dat de bereiken van de waarheid en de aanspraak, hoewel ze constant door elkaar heen lopen, zo sterk van elkaar verschillen dat ze niet uit elkaar verklaard kunnen worden. Alleen dat inzicht en de fundering daarvan kan een dam opwerpen tegen de toenemende en alsmaar voortschrijdende verwetenschappelijking van de mens en het menselijke samenleven.
De vraag die vervolgens gesteld moet worden, is waaróp een ander mij aanspreekt als hij mij aanspreekt. Die ander spreekt mij aan op het gemeenschappelijke dat ons bindt, een gemeenschappelijke dat we, en ik beredeneer dat uitgebreid in mijn boek,  meedragen in ons zelf. Door bij ons zelf te rade te gaan kunnen we nadenken voor we iets doen. Precies die mogelijkheid van zelfreflectie onderscheidt ons van een voorgeprogrammeerde entiteit.
De verhouding van de mens tot zichzelf vormt daarmee de grondslag van onze subjectiviteit en opent een derde ervaringsbereik. Dit ervaringsbereik heb ik dat van het onbestemde genoemd, omdat dit zelf, dat dus ook het voorportaal is van het gemeenschappelijke, geen ding is en nooit definitief is te bepalen. Daarom zijn er ook geen onomstotelijke waarheden aan te ontlenen. Dogmatiek ontstaat als er aan dat zelf of aan het bereik dat in dat zelf wordt geopend, wel dergelijke waarheden worden onttrokken. En dat gaat helemaal mis als die waarheden verpakt als goddelijke ingeving of wetgeving aan de samenleving worden opgelegd. Om die reden is het niet verstandig je daar volledig aan over te geven en te veronachtzamen dat je je ook in de andere twee bereiken te bewegen hebt. Dit gedoceerd omgaan met het onbestemde is niet ‘nog een probleem’, in de woorden van De Jong, maar simpelweg datgene waar het hele boek op aanstuurt en waar  ik onophoudelijk argumenten voor aanreik.

Het is ook precies de reden waarom ik betoog dat de filosofie, samen met de kunst, een leidende rol te spelen heeft in het exploreren en toegankelijk houden van het ervaringsbereik van het onbestemde. De filosofie en de kunst zijn daar zo geschikt voor omdat zij, in tegenstelling tot religies en ideologieën, inzichten kunnen formuleren zonder die om te zetten in algemene waarheden of voorschriften die als wetten gaan gelden in het bereik van het handelen. Het hele concept dat ten grondslag ligt aan Denken op de plaats rust is dus gericht tegen de slaafsheid die het gevolg is van religieuze of ideologische dogmatiek en maakt de weg vrij voor de ontwikkeling van een individueel en persoonlijk filosofisch denken. Niet om van de filosofie een therapie te maken, zoals De Jong suggereert, maar omdat alleen zo de menselijkheid van de mens kan worden geborgd. En dat is net even wat anders dan het hoeden van het zijn van het zijnde. Soms verbergen originaliteit en creativiteit zich in de nuances.

 

 

       
         
 


 

 
 
Trouw van woensdag 10 oktober 2012