HOME




Fragment hoofdstuk 1


Fragment hoofdstuk 3







































Fragment hoofdstuk 1
Een rondje Vondelpark


(…)

Dit bericht, Josephine, dit bericht heeft je doelloos gemaakt. Je voelde iets dat je niet kon controleren. Mededelingen waar je niets mee had, gingen zich aan die ene vraag vast hechten, zoals de rest van het artikel van 12 april: ‘In de wirwar van steegjes kon de brandweer slechts met moeite ter plaatse komen. Pas na drie uur werd het sein brand meester gegeven. Toen was het grootste deel van de monumentale zolderverdieping verwoest. De onderste etages liepen zware waterschade op. De belendende bordelen moesten vanwege rookoverlast worden ontruimd.’ Elke keer als deze woorden zo akelig keurig op volgorde door je hoofd heen trekken, moet je denken: bordelen? bordelen? Waarom bordelen? Zonder reden, als een oponthoud in de zin, als een aanloop voor het ergste: ‘De brandweer gaat ervan uit dat de brand op de zoldering is ontstaan en aldaar is aangestoken. De politie neemt de zaak hoog op, vooral omdat de drie overledenen op het moment dat de brand uitbrak naar het zich laat aanzien waren vastgebonden aan het balkenwerk van de zoldering. De politie is overgegaan tot aanhouding van de vier lichtgewonden.’ En dan die foto erbij van de verbranden. Die is niet voor jou bestemd, die wil je niet gezien hebben. Die heb je niet gezien. Maar als je zo aan het hollen bent, begint hij als een blinde vlek mee te resoneren. Je krijgt het gevoel dat er iemand achter je aanzit, versnelt je pas, zet jezelf in de derde versnelling en gaat zo door tot het volgende bericht van toen boven komt drijven, weer met datum en al. Waarom toch altijd die datum, denk je nog om de woorden tegen te houden, en vooral de initialen. Maar dat heeft geen zin, ze komen al: ‘Stem des volks. 19 april 1984 – Hedenmorgen zijn de vier personen die werden vastgehouden in verband met de brand in het Bethaniënklooster onverwacht op vrije voeten gesteld. Wegens een vormfout en het ontbreken van overtuigend bewijs tegen L.X., H.B., E.B. en W.S. moest de rechter-commissaris de vier laten gaan. De nabestaanden van de drie mannen die om het leven zijn gekomen hebben verontwaardigd gereageerd op deze vrijlating. Zij eisen een diepgaand onderzoek, vooral vanwege de verdachte omstandigheden waaronder de drie zijn omgekomen. In een aantal bladen doen wilde verhalen de ronde over losbandigheid, rituelen en satanische praktijken. Totnogtoe is daar geen bewijs voor gevonden.’
In een keer golft dit bericht door je heen, Josephine. Twee jaar geleden heb je het een keer gelezen en nu nog steeds spuug je het uit als je zo hard rent dat je in trance raakt. Wat is dat met jou? Zijn het alleen de initialen W.S. die overeenkomen met die van je broer? Of gaat het je om de ontbrekende schakel, om de vijfde met oogletsel, wiens initialen je in een bericht tegenkwam en je als een dolksteek troffen? ‘De stem des volks, 3 mei 1984 – De vijfde overlevende van de brand die drie weken geleden een deel van het Bethaniënklooster in de as legde, is vermist. Vanwege ernstig oogletsel werd V.K. verpleegd in het brandwondencentrum in Beverwijk. De politie wilde hem horen om zijn aandeel in de gebeurtenissen te kunnen vaststellen. Zij trof een leeg bed aan. De avond tevoren was hij nog ter plekke geweest, verzekerden enkele verpleegkundigen. Gezien zijn verwondingen en zijn bandages om zijn ogen, achtten zij het niet waarschijnlijk dat hij zelfstandig het centrum heeft verlaten.’
Die initialen deden je ineenkrimpen, Josephine. Die twee letters dwongen je erop uit te trekken en twee jaar lang schijnbewegingen te maken. Daar kun je, terug in de stad des onheils, echter niet mee volstaan. Je hebt een naam met een adres erbij. Het wordt tijd dat je daarmee aan de slag gaat. Je moet weg van de berichten en terug naar de aanraking van de man die je zo onomstotelijk heeft beroerd dat je hem niet uit je hoofd hebt kunnen zetten. Je moet aanbellen Josephine.
Als je dat niet doet, is alles voor niets geweest. Dan ben je voor niets je broer achterna gereisd. Heb je voor niets je ouders tegen je in het harnas gejaagd. Want ook zij konden je niet tegenhouden.
In strakke jeans en wit gehaakt hesje ging je daar staan, langs de kant van de weg. Je zei geen nee toen de eerste vrachtwagen die stopte, Rome voor je in petto had. Dat verraste je, daar had je niet op gerekend, hoewel het toch levensgroot op je bord stond. Naar Rome, ja, ja. Al die goed bedoelde aandacht van je ouders kon je gestolen worden.
Want wat hadden je ouders en vooral je moeder niet in je talenten geïnvesteerd. Eén keer per week met je zweten op de atletiekbaan. Woensdagmiddag oefenen met het jeugdkoor en elke dinsdag- en donderdagavond je halen en brengen naar dansles. Ja, ja, dansen was je lust en je leven. Of was het hun lust en hun leven? Het werd tijd dat je dat onderscheid ging maken, dat je niet alleen je vader maar ook je moeder eens liet voor wie ze was.
Stiekem hoopte je dat je door in Rome bij Willem S langs te gaan je broer van voor de verwijdering terug kon toveren. Dat je daarmee het verlangen naar de man met de mooie initialen op een zijspoor kon manoeuvreren.
Al gauw werd duidelijk dat dat een illusie was. Op de beslissende momenten werd het Willem zwart voor ogen. Zijn stem stokte dan en zijn zinnen liepen in het honderd. In een paar weken tijd was hij een vluchteling geworden, je zag het aan de zenuwtrekjes om zijn mond. Maar ook voor zijn vertrek lukte het je al nauwelijks tot hem door te dringen. Soms kreeg je zelfs het gevoel een balling te zijn in je eigen huis. Het kamerkoor waar hij voor gevraagd was, nam hem volledig in beslag. Voortdurend was hij aan het smoezen met die zangvriendinnen van hem. Te pas en te onpas ging hij met hen op stap. Weekenden lang kwam hij niet thuis. Zijn dirigent huurde dan een huisje om eens goed met dat a-capella-koortje van hem te kunnen repeteren. Jij vertrouwde het allemaal niet zo en koesterde angstige vermoedens over wat er tijdens die uitstapjes gebeurde, Josephine.
Het zweet gutst over je lichaam. Stoppen met hollen kun je niet meer. Je hebt jezelf verboden ooit nog een krant te lezen. Die zijn veel te onvoorspelbaar, maken ongevraagd je hele verleden onmogelijk. Je wilt af van die berichten, af van je ouders, af van je broer, je wilt hem dood hollen. Met elke stap die je rent, schudt zijn naam door je heen en verbastert die andere naam die je zo dierbaar is geworden. Altijd weerde Willem je af, ook toen hij nog thuis woonde.
Jij niet. Jij zocht contact, kon maar niet begrijpen dat de intieme solidariteit van vroeger voorbij was. De enkele keer dat je hem nog op zijn kamer hoorde stommelen, liet je je sopraan galmen om te laten merken dat je ook lid wilde worden van zijn kamerkoortje. Op hem maakte dat blijkbaar weinig indruk. Nooit nodigde hij je uit eens met hem mee te gaan. Alleen de dirigent telde voor hem.


terug naar boven


Fragment hoofdstuk 3
Het moddergevecht


(…)

‘Hardlopen heb ik nooit begrepen. Worstelen oké, maar hardlopen, gewoon je neus achterna? Nee.’
‘Tja, hoe moet ik het uitleggen. Het had geloof ik toch iets met die tijd van doen.’
‘O jee, wat heb ik nou in mijn auto gehaald.’
‘Weet je, soms lukte het me, dan schoot ik er even tussenuit, heel plotseling. Dan verraste ik de tijd. Jammergenoeg laat die niet al te lang met zich sollen. Als ik op een onbewaakt ogenblik wegglipte, haalde hij me in het algemeen verdomd snel weer in en trok me er weer bij. Niemand die mijn ontsnappingen ooit merkte. Bovendien nam de tijd haast altijd wraak, waardoor ik het aan het eind van de race met een paar seconden moest bekopen.
In die periode leefde ik eigenlijk voor niets anders. Als het me lukte er even tussen uit te knijpen, pikte ik zomaar een stukje eeuwigheid mee. Daar had ik wel wat voor over, daar deed ik het voor, voor die paar stappen, voor die plotselinge versmelting waar niemand op rekende en die buiten de tijdsregistratie viel.
Mijn hoofd naar achteren, mijn haren in de wind, hoe ongunstig ook voor de aerodynamica, en mijn benen met alles wat ik in me heb vanuit mijn buik hamerend op het gravel. Eerst pijn in mijn bovenbenen. Niet denken, niet voelen, doorzetten tot het wegtrekt. Zwaaiende handen, een naar voren priemende borst, kwijl dat alle kanten opspat. Mezelf vooruit stuwen, sneller willen, nog harder stampen, boven mijn eigen hartslag uitkruipen, en dan... dan los: een moment een vlek voor iedere waarneming. Vliegen, me godverdomme een engel voelen.’
‘Je bent me er een. Je neemt me toch niet in de maling hè? Ik hoor wel eens vaker mooie story’s.’
‘Natuurlijk niet, alleen door erover te vertellen word ik al warm van binnen.’
‘O, ik wist niet dat je het koud had, moet de blower aan?’
‘Ik maak liever mijn verhaal af.’
‘Vooruit dan maar.’
‘Het is me misschien drie keer overkomen, en eigenlijk maar een keer echt.’
‘Iets overkomt je of overkomt je niet.’
‘Stil nou even. Ik zal het uitleggen. Gewoonlijk is het eerste wat je doet na een race op de klok kijken. Iedereen die aan atletiek doet, heeft een paar getallen in zijn kop. Het wereldrecord en het persoonlijk record. Als jouw getal kleiner is dan het eerste, ben je heel blij. Als het kleiner is dan het tweede, ben je gewoon blij. Als het groter is dan allebei de cijfers, baal je. Het is net of je naar de uitslag ven een loterij aan het kijken bent.’
‘Ik heb een hekel aan loterijen.’
‘Als ik tijdens een wedloop zo’n engelgevoel had gehad, negeerde ik triomfantelijk alle elektronische uurwerken. Gewoonlijk keek ik daar bedeesd en besmuikt en met een zeker ontzag naar.’
‘Waarom ben je met dat hardlopen opgehouden?’
‘Vanwege mijn laatste wedstrijd denk ik. Bovendien ging ik kort daarna op reis. Naar Rome, weet je nog wel.’
‘Met welke afstand besloot je die rencarrière van je?’
‘Niet zo denigrerend.
‘Met welke afstand, vroeg ik.’
‘Met de 800 meter, een afstand waar ik helemaal niet zo goed in ben. Ik wilde altijd sprinten of lange afstanden lopen, en dan bedoel ik minstens een halve marathon. Blijkbaar had ik mijn dag. Ik waagde het erop en waar ik van tevoren alleen van had kunnen dromen, gebeurde: op het moment van finishen sloeg ik los van de tijd. Het was een prachtig opgebouwde race. Ik was rustig begonnen en zette telkens een beetje aan. Aan alles voelde ik dat ik toegroeide naar een climax.
De laatste bocht en nog drie rensters voor me. Ik moest buitenom. Het deerde me niet. Ik stampte en ging en stampte en ging, een losgeslagen helse machine was ik. Het was misschien twintig meter voor de streep. Ik ontsnapte, kreeg vleugels, zweefde. Ik moet als eerste over de streep zijn gegaan.
Op de finishfoto is alleen een vlek te zien. Iedereen staat erop, al die neuzen als speerpunten vooruitgestoken. Alleen ik was een vlek en mijn tijd hebben ze niet kunnen vaststellen. Die loopt misschien nu nog wel door, nog steeds bezig die paar seconden op me terug te pakken.
De officials zagen zich genoodzaakt me te disqualificeren, hoewel ze niet konden uitleggen waarom. Iedereen dacht dat ik het erg vond, omdat ik huilde. Maar ik huilde en bleef huilen vanwege dat meesterlijke gevoel. Ik heb dat nog steeds. Als iets of iemand me tot de engel maakt die ik toen was, komen de tranen weer. Ook net, toen ik bij je instapte.’

terug naar boven