HOME




Henk van der Waal
De urgentie van het dichten


De poëzie floreert als nooit tevoren. De ene festiviteit buitelt over de andere heen. Op de podia oreren allerlei poëten erop los. De dikte van dé vaderlandse bloemlezing overtreft met verve die van praktisch alle andere boeken. De geest is uit de fles. Iedereen met een sprankje creativiteit goochelt achter zijn pc met woorden tot er een kekke combinatie van zinnen uitrolt, in de helemaal niet zo heel erg ijdele hoop dat er een uitgever rondloopt die zo gek is er een boekje van te maken.
Wie van buitenaf tegen dit fenomeen aankijkt, kan niet anders dan met een glimlach constateren: het gaat goed met de vaderlandse poëzie. Wie vervolgens aan het lezen slaat, voelt na een bundeltje of wat echter wel de vraag opkomen: maar hoe zit het met het dichten?
Per eeuw lopen er misschien een paar dichters, schrijvers en kunstenaars rond die in staat zijn het zelfbesef van hun lezers te kantelen. De evidenties waar iedereen elke dag mee leeft en die iedereen voor het gemak voor waar aanneemt, schoffelen zij onderuit door ze anders uit te leggen of anders te beschrijven. Als je een dergelijke schrijver leest, gutst er een golf van opluchting door je heen. In sommige gevallen gaat er zelfs een soort dubbele troost vanuit: je ervaart iets waarvan je niet gedacht had het te kunnen ervaren. En als je dat ervaart, weet je gelijk dat je niet de enige bent die dat zo voelt.
Het heeft lang geduurd voor ik doorhad wat de kern van mijn ontroering is bij het lezen van dergelijke dichters en schrijvers. Ik ben erop uitgekomen dat wat mij fascineert te maken heeft met het resultaat van hun zelfonderzoek. Kort gezegd komen de schrijvers, dichters en ook andere kunstenaars die ik hierom waardeer, ieder op eigen wijze tot de conclusie dat het ‘ik’ dat zij zich in de loop van hun leven hebben aangemeten, een veel te nauw sluitende huls is. De autonomie die het ik-zeggen veronderstelt, ervaren zij als schone schijn. De identiteit die zij met hangen en wurgen rondom dat ik hebben opgericht, zien zij ineens als een opgeblazen kikker die bezwijkt onder de last van de eigen pretentie. Door deze geconstrueerde identiteit uiteen te rafelen, laten ze zien hoe de geest op allerlei manieren zit vastgeklonken aan het lichaam. Het ‘ik’ blijkt bij de nietsontziende introspectie die zij toepassen, niet de dienst uit te maken of te kunnen doen wat het wil, laat staan te kunnen zijn wat het wil. In plaats van baas te zijn over, beschrijven zij hoe het onderworpen is aan de listen van het geheugen, de capriolen van de liefde en de stuurloosheid van de emoties. Ze ontmantelen op fijnzinnige wijze de illusie dat wij ons lot in eigen hand hebben. De subjectiviteit waar niemand van ons meer buiten kan in het dagelijks leven, hollen ze net zo lang uit tot wij achterblijven met een gevoel van machteloosheid.
Enkele schrijvers mogen dit op sublieme wijze hebben opgeschreven, dat wil niet zeggen dat we daardoor minder zwaar leunen op onze opgepoetste ego’s. Het lijkt erop dat de ontmanteling van de identiteit een aangenaam tijdverdrijf is geworden dat ons therapeutisch doet huiveren, maar dat vervolgens weer moet worden toegedekt en gerepareerd. Waarschijnlijk is de maatschappij er niet echt bij gebaat en schiet, als het boek is dichtgeslagen, de verschuiving in het paradigma bijna als vanzelf weer terug in zijn traditionele stand.
Dat kan verklaren waarom er elke eeuw opnieuw één, twee of meer schrijvers nodig zijn die vanuit een eigen invalshoek deze min of meer gelijke aanval op het subject inzetten. Vooral de twintigste eeuw heeft gegrossierd in schrijvers die korte metten wilden maken met dit artefact, dat meestal wordt toegeschreven aan de verlichting, maar eigenlijk al veel langer mee gaat.
Maar waarom is die poging die een paar keer per eeuw wordt ondernomen, nu zo fascinerend? Eigenlijk wel een goeie vraag, want het zo lang gekoesterde en met zoveel pijn en moeite tot ontwikkeling gebrachte subject, wordt in soms maar een paar pennenstreken van tafel geveegd. Wat daarna overblijft, is in eerste instantie niet veel meer dan een organisme dat van top tot teen gedetermineerd is. Een aantal eeuwen heeft de mens zich losgezongen van het dierlijke en instinctmatige, met zijn talige vermogens als belangrijkste troefkaart, maar degenen die het bestaan recht in de ogen durven kijken, moeten toegeven dat het grootspraak was, dat de mens zichzelf een rad voor ogen heeft gedraaid. Niets, ook niet onze meest tedere en verheven gevoelens, is op een geest gebaseerd die zich heeft uitgekristalliseerd in een zelfstandig vrij individu. Integendeel, wat de wetenschap leert is dat alles is terug te voeren op een samenspel van driften, verlangens, maatschappelijke omstandigheden en andere zaken die niets met een zelfstandig en vrij ‘ik’ van doen hebben. Dat ‘ik’ is een creatie, een drogbeeld, een hersenschim.
Wat rest na dergelijke exercities is een volkomen uitgeklede mens die, als hij eerlijk is, niet meer anders tegen zichzelf aan kan kijken dan als naar een bundel organen, als naar een aan elkaar gekoppelde machinerie die een min of meer samenhangende output geeft.
Word ik vrolijk van een dergelijk beeld? Ben ik daardoor nu zo gefascineerd? Nee, en al helemaal niet als dat gepaard gaat met de gebruikelijke borstklopperij van de moderne wetenschap. Eerder krijg ik dan het idee dat iemand de zaak aan het belazeren is, de boel aan het verdraaien is en de hele mensheid wil opzadelen met zijn eigen zwartgalligheid. Toch bekroop me aanvankelijk dat gevoel van fascinatie. Wat is hier kortom aan de hand?
Hier zijn twee dingen aan de hand. Of, laat ik zeggen, twee bewegingen. Voor je het weet haal je die twee door elkaar en weet je niet meer waar je staat en krijg je het onaangename gevoel behoorlijk op het foute paard te hebben gewed.
Beide bewegingen beginnen bij de constructies die wij als waarheden zijn gaan beschouwen: het al genoemde subject, God, etc. De eerste, die ik voor het gemak maar even de wetenschappelijke beweging noem, mijdt bij voorbaat alle metafysica en heeft linksom of rechtsom eigenlijk al haar antwoord klaar. De waarneming van het te onderzoeken fenomeen wordt zo nauwgezet en microscopisch ter hand genomen dat de verschillende onderdelen waar het uit is opgebouwd, zich wel moeten prijsgeven. De samengesteldheid van het fenomeen wordt dan uiteindelijk het bewijs van zijn bepaaldheid. Wekelijks doen de wetenschapsbijlagen van de kranten kond van de nieuwe overwinningen die zijn geboekt op weg naar het ideaal van het totale weten. Een weten dat synoniem is met volledige gedetermineerdheid. Hoe interessant ook, telkens blijf je weer teleurgesteld achter als de nieuwe inzichten zich weer blijken te voegen naar dat oude ideaal.
De tweede beweging heeft plusminus hetzelfde vertrekpunt, maar een volledig andere bestemming. Eigenlijk is het een beweging die principieel geen bestemming heeft. Waar de eerste beweging of strategie je het gevoel geeft dat ze je gevangen neemt in zijn beweringen en plat maakt, werkt de tweede bevrijdend en biedt ze je ruimte aan. Die, dat wel, behoorlijk onbestemd is. Om het in de woorden van de eerste beweging te zeggen: het voert je een andere dimensie binnen, waarin de aanvankelijke bepaaldheid heeft plaatsgemaakt voor onbepaaldheid.
Het verschil in strategie van deze twee bewegingen is ongetwijfeld de oorzaak van het grote verschil in uitkomst. De wetenschappelijke beweging concentreert zich vrijwel volledig op de materiële geaardheid van het object dat onderzocht wordt. Het is een beweging die de taal zoveel mogelijk buitenspel zet. Die gooit met zijn onduidelijke verwijzingen eigenlijk alleen maar roet in het eten en tast voortdurend de precisie van de waarneming aan.
De tweede beweging, die ik om haar een naam te geven maar even de semiotische noem, vertrekt juist vanuit de taal. Begrippen die zich gevestigd hebben, worden met en vanuit de taal uitgehold en opnieuw op begrip gebracht. Betekenissen blijken niet vast te liggen maar door subtiele verschuivingen zichzelf langzaam maar zeker te ondergraven. In plaats van steeds grotere zekerheid te verwerven, zoals bij de eerste beweging, valt hier steeds meer zekerheid weg. Cultuur, wereld, goed, slecht, mens, subject, identiteit – het zijn allemaal woorden waar wij ons dagelijks aan vastklampen, maar waarvan de inhoud bij nadere beschouwing diffuus is. Om die ondergraving te voorkomen bewaken tal van instituties, denk aan het onderwijs, de media, het politieke bestel, de juiste invulling van deze sleutelbegrippen. Het is heerlijk als een schrijver of kunstenaar eens wat zand tussen de raderen van de betekenis die deze woorden doorgaans hebben, strooit en de leegte toont die huist in deze luchtkastelen. Wie dat doet, stemt mij vrolijk.
Maar ontreddert mij ook.
De eerste, wetenschappelijke beweging van onttovering en ontmaskering, leidt langzaam maar zeker tot een tot in detail begrepen en dus bepaalde wereld, waarin alles wat toeval was vervangen wordt door noodzaak. De tweede, semiotische beweging van ontmaskering brengt heel het kaartenhuis van betekenissen, dat ons steun geeft maar ook inkadert en gevangen houdt, aan het wankelen, met als resultaat het gevoel dat alles je ontvalt. Door die ontvalling raak je ontredderd. Een vage zinloosheid komt over al je activiteiten te liggen, je valt buiten het netwerk dat wereld heet en wordt teruggedrongen in een passiviteit die veel verder gaat dan het dagelijkse zoeken naar rust. Gek genoeg zit er in deze vrijwel bodemloze put een vreemd soort bodem. Die bodem noem ik de urgentie van het dichten.
Aan die tweede, semiotische beweging zijn, behalve de namen van een aantal schrijvers, veel namen van vooral Franse denkers te koppelen, zoals die van Roland Barthes of Julia Kristeva. Hier wil ik wat langer stilstaan bij de filosoof, essayist en romanschrijver Maurice Blanchot. Vanuit zijn perspectief is het met name de schrijver die te maken krijgt met de ontreddering die ik zojuist noemde. Het gevecht met de taal dat deze volvoert, is een bij voorbaat verloren strijd. In plaats van een meester te zijn over de woorden, merkt hij dat hij slaaf en slachtoffer is van de betekenissen. Als de schrijver serieus de confrontatie met zijn onderwerp aangaat, ontdekt hij dat het werk dat hij wil maken zijn krachten te boven gaat en dat het principieel niet af te maken is. Het is, in Blanchots woorden, interminable.
Dat komt voor een groot deel doordat alles wat helder en duidelijk leek en zich liet vangen in een bepaalde eenheid, zich verdeelt op het moment dat je erover gaat schrijven. Er doemen plotseling nieuwe invalshoeken op, de woorden die adequaat leken voor een bepaalde beschrijving, blijken tekort te schieten of het verhaal een verkeerde kant op te drijven. Natuurlijk, een schrijver kan zijn ogen daarvoor sluiten, maar dan devalueert hij zichzelf en verkwanselt hij zijn impliciete opdracht, die erin bestaat het meervoudige in het enkelvoudige te ontdekken.
Dat meervoudige slaat met terugwerkende kracht ook op de schrijver zelf terug. Het schrijven blaast hem als het ware op. De kern waarmee hij dacht zijn werk te kunnen voltooien, raakt opgelost in de ervaringen, beelden, associaties en betekenisverschuivingen. Hij vertrekt vanuit een punt waar naartoe hij niet meer terug kan keren. De toevlucht van de veilige haven van zijn identiteit raakt geblokkeerd. De schrijver raakt verdwaald in wat Blanchot het ‘onpersoonlijke’ noemt. In een amalgaam van ervaringen die nauwelijks te articuleren zijn en waartegen hij al schrijvende zijn verweer moet opgeven. Hij merkt dat de wereld die hij koesterde, een moeras van illusies is.
Voor een aantal schrijvers is deze ontreddering, de stomheid waarin het schrijven je brengt als de betekenissen uiteen spatten en de eigen subjectiviteit verdeeld raakt, een eindpunt, een resultaat. Logisch, want wat moet je als je al schrijvende steeds verder doordringt in de grondeloosheid van het bestaan. Wat moet je als je merkt dat de vaste grond die je hoopte aan te treffen, drijfzand blijkt te zijn? Moet je het ontkennen en er de verhalen en waarheden overheen leggen die je voor je ging schrijven al had bedacht? Dat kan en dat gebeurt veel, maar levert in het algemeen voorspelbare poëzie en literatuur op.
Het getuigt van meer moed als je het op drift raken van de betekenissen niet ontkent, maar affirmeert. Er ontstaat alleen wel een probleem bij een totale omarming van die verdeeldheid, bij een volledige afwijzing van ieder meesterschap over de taal, bij een vermijding van elke vorm van ingesleten taalgebruik. De teksten die de uiterste consequentie trekken van Blanchots inzichten, zoals zijn eigen romans, de gedichten van Artaud, Finnegans Wake van Joyce, kenmerken zich door een hardnekkige onleesbaarheid. Ze zijn, lijkt het, slachtoffer van de zuigkracht van de chaos. Daarmee lijken tekst en auteur samen kopje onder te zijn gegaan in wat Blanchot het buiten of onpersoonlijke noemt, een dimensie waarvan je niet moet denken dat je er maar een sprankje identiteit of hoop of vastigheid in aan zult treffen.
Juist vanwege het ontbreken van die vastigheid is het zo moeilijk om weg te raken uit dat onpersoonlijke buitengebied als je er eenmaal aan geproefd hebt. Heel gemakkelijk sluit zich een web van onvermijdelijkheid en onmogelijkheid om je heen als je beseft hoe breekbaar de werkelijkheid is die we elkaar dagelijks aanpraten. En de schrijver en de dichter kunnen, net als de filosoof, beter een hamer in de hand hebben dan een veer. Maar wat moet er gebeuren als het ‘bevroren meer in ons’, zoals Kafka het noemde, is stuk geslagen? Die vraag is des te nijpender als je ziet dat na elke breekactie de wereld net zo gemakkelijk weer terugschiet in zijn oude stand van zaken. Ook is het zo langzamerhand voor veel dichters en schrijvers haast een kunstje geworden om alles eens lekker op losse schroeven te zetten, een kunstje waarvan ze weten dat ze ermee kunnen scoren, maar waarmee ze niemand meer verontrusten of uit evenwicht brengen. Het oorspronkelijke spartelen in het onpersoonlijke, identiteitsloze, neutrale buiten lijkt voor sommigen zelfs een zich weldadig wentelen geworden. Leuk, maar grote kans dat straks het kind met het badwater wordt weggespoeld. Om dat te voorkomen is er zo langzamerhand een list nodig. Of misschien dé list, die van Odysseus, die zijn oor wel te luisteren legde, maar door zich te laten binden aan de mast voorkwam dat het gezang van de Sirenen zijn ondergang werd. Of anders een kunstje, het kunstje van de Baron van Münchhaussen die zich aan zijn eigen haren het moeras uittrok. Voor zo’n kunstje heb je alleen wel bodem nodig: de bodem van de urgentie van het dichten.
Het verlangen of streven van de dichter, schrijver of kunstenaar is daarmee twee kanten op gericht: hij moet erin willen en hij moet eruit willen. Dat komt erop neer dat hij in staat moet zijn zich aan de grens op te houden. Dat kan hij alleen als hij de urgentie en noodzaak voelt vanuit het ondoorgrondelijke terug te spreken en terug te schrijven naar de wereld, als hij de urgentie voelt om die ondoorgrondelijkheid open te laten springen in de wereld. De urgentie die de schrijver aanvankelijk voelt om te ontmantelen wordt zo gestuit door de urgentie om als ontmantelde toch iets of iemand te zijn, veeleer dan niets of niemand. Om deze uitspraak te verdiepen en uit te leggen moet ik ingaan op de vraag wat de kunst nu eigenlijk geacht wordt te doen, te bewerkstelligen.
De Duitse filosoof Immanuel Kant is een van de eersten geweest die een helder en precies antwoord op deze vraag heeft proberen te geven. Voor hem moest de kunst de brug slaan tussen de wereld van de natuur en de wereld van het handelen. Hij wilde er absoluut niet aan dat de mens een dier onder dieren is en volledig is onderworpen aan zijn instincten en fysische gesteldheid. Als dat zo is, zouden moraal en wil en verantwoordelijkheid en plichtsbetrachting niet meer zijn dan een stel mooie woorden. Om die woorden enige inhoud te geven, moest hij wel de idee van de vrijheid postuleren. Hij zat alleen wel met een groot probleem, omdat zodra er ware en zekere kennis over een onderwerp was verkregen, het onmiddellijk ging behoren tot de natuur en dus niet meer kon opereren onder de vlag van de vrijheid. Vrijheid en vrije wil zijn daarom voor hem zaken die achteraf, op het moment dat ze zich getransformeerd hebben tot feitelijkheden, niet positief zijn vast te stellen. Vrijheid valt voor hem daarom per definitie buiten de natuur en is een idee waaromtrent geen ware en zekere kennis is te verwerven. Net zoals dat geldt voor God.
Kunst kan in Kants visie echter de idee van de vrijheid oproepen in de materie. Een kunstwerk behoort vanwege zijn materialiteit tot de natuur. De waarneming of lezing ervan doet echter iets anders met ons dan normaal. Het veroorzaakt Kants beruchte ‘belangeloze welbehagen’. We kunnen wat we schoon noemen niet aanwenden om er zelf beter van te worden. We hebben zogezegd geen belang bij het bestaan van dat plaatje. Het water dat op een schilderij stroomt, kunnen we niet drinken. Ook houdt kunst op kunst te zijn als het ons wil aanzetten tot goede daden. In dat geval zeggen we niet meer ‘mooi’, maar ‘goed’. En ten slotte prikkelt wat we ‘mooi’ noemen ons verstand. Bij het zien van iets bijzonders gaat ons verstand aan de gang met onze verbeelding. Als dat in perfecte harmonie gebeurt, geeft dat ons dat prettige gevoel van welbehagen en komen we tot de conclusie ‘mooi’.
Nu heeft de moderne kunst niet zoveel op met belangeloos welbehagen en harmonie tussen verbeelding en verstand. De kunst is recalcitrant geworden, wil vastgeroeste patronen losweken, wil iets tegenwoordig stellen dat normaliter buiten ons bereik ligt. Kant, om nog even bij hem te blijven, deed al een gooi naar de noodzaak van de kunst om buiten de harmonieuze voorstelling te treden. Zolang het verstand datgene wat de verbeelding heeft voortgebracht nog in zijn kaders kan dwingen, is er wel wat werk verzet, maar doemt de idee van de vrijheid nog niet echt op. Dat gebeurt pas op het moment dat het kunstwerk buiten de kaders van de traditionele, op begrip te brengen voorstelling treedt. Dan slaat de onzekerheid bij de beschouwer toe en kan het verstand het zaakje niet meer rond breien. Het verstand loopt in zekere zin vast en voelt dat er een beroep gedaan wordt op iets dat hem overstijgt. Alsof zich in de natuur iets wat die natuur te boven gaat, probeert te manifesteren. Voor Kant moet dat de idee van de vrijheid zijn. Omdat zo’n idee de natuur te boven gaat weet het verstand zich er geen raad mee. Het verstand zal tegen een bepaald kunstwerk bijvoorbeeld ‘rood vlak met aan de rand een gele en een blauwe strook’ zeggen. Verder kan het niets. Tegelijkertijd weet de beschouwer dat hem iets ontgaat. Hij voelt dat er meer aan de hand is, maar heeft niet de begrippen om dat te omschrijven. Het kunstwerk geeft zijn onbepaaldheid, dat wil zeggen zijn vrijheid, niet op. In plaats van welbehagen voelt de beschouwer ontzetting en angst. Het natuurlijke instinct om te determineren, in te kaderen en te bepalen, werkt niet. Er doemt onbepaaldheid op in het kunstwerk, dat in dat geval het kleed van de vrijheid is. Van een vrijheid die zich alleen kan voordoen als leegte, als een zwart gat. Je zou kunnen zeggen dat de confrontatie met de bodemloosheid van die vrijheid je handelingsonbekwaam maakt en aan de basis staat van en de voorwaarde is van wat Kant het verhevene of sublieme noemt.
Met een beetje goede wil is het niet moeilijk om een verband te zien tussen het sublieme van Kant en het onpersoonlijke van Blanchot. De vrijheid die zich in het kunstwerk dat we subliem noemen manifesteert, is namelijk zo totaal en ontsubjectiveert het subject zozeer, dat het kenmerk van het alles is mogelijk van de vrijheid omslaat in zijn tegendeel: omdat alles mogelijk is, is er geen keuze te maken, waardoor het resultaat bij de beschouwer passiviteit is, wachten, ontvankelijkheid. Wat kunst doet, wat kunst moet doen, is die passiviteit en ontvankelijkheid provoceren en inaugureren en zo het veld vrij houden dat zich uitstrekt, uit zou moeten strekken, tussen de wereld van de natuur en de wereld van het handelen.
Ik zeg met nadruk ‘uit zou moeten strekken’, want Plato’s poging om de kunst te verbannen uit de staat is uitermate succesvol geweest. Omdat de kunst en de kunstenaars vandaag de dag zo prettig worden getolereerd, lijkt het tegendeel het geval. Maar eigenlijk hebben de kunst en de kunstenaars zich zand in de ogen laten strooien en hebben ze zich weg laten zetten in een zelfgekozen isolement en laten ze zich gebruiken voor het o zo nodige verzetje op de saaie zondagmiddag. Hoe het ook zij, door de marginalisering van de kunst zijn de sfeer van het handelen en de sfeer van de natuur zich direct, veel te direct op elkaar gaan betrekken. Het handelen is de vrijheid gaan usurperen en is al zijn mogelijkheden bot gaan vieren op de natuur. Dat heeft geresulteerd in onze technocratische en bureaucratische maatschappij.
De brug die Kant nodig vond tussen het weten (de wereld van de natuur) en de moraal of politiek (de wereld van het handelen) hoeft dus helemaal niet meer te worden geslagen. Ze zijn in de loop der tijd zozeer aan elkaar gaan grenzen dat ze nog maar nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Wat zoveel wil zeggen dat de vrijheid door het weten en de instituties is ingekapseld. In plaats van een brug te slaan, moet de kunst eerder de kloof weer openbreken door zich in te wringen tussen het weten en het handelen. Ze moet een wig slaan en een buffer creëren van passiviteit en ontvankelijkheid, een veld waar de mogelijkheden gelaten worden in plaats van dat ze al verzilverd worden nog voor ze zijn opgekomen. Vanuit de marge waar Plato haar naartoe heeft gedreven, moet de kunst zich op haar eigen verrassende wijze manoeuvreren naar het centrum van het spectrum dat de menselijke ervaring en het menselijk handelen omvat. Wat de kunst vandaag de dag moet doen, is de grondeloosheid van de vrijheid positioneren tussen de wereld van de natuur en die van het handelen, dat wil zeggen tussen wetenschap en politiek.
Dat gaat niet zomaar. De kunst zal dit gebied open moeten leggen, er de dimensies van uit moeten tekenen, er de uitgebreidheid van moeten forceren. Dat is een hele klus en bovendien een klus die elk kunstwerk opnieuw voor elkaar moet boksen. Van elk werk mag verwacht worden dat ze als een big bang de dimensies van dit veld openbruist zodat het opene van de vrijheid als zodanig ervaren kan worden. Als de kunst op dit vlak in gebreke blijft, is ze gedoemd als toegepaste kunst ten onder te gaan. Tegelijkertijd moet ze aan twee verleidingen weerstand bieden. De eerste is, en ik waarschuwde er al eerder voor, om zelf in de grondeloosheid te verzinken die ze juist open moet leggen. De tweede is om ad random uit te waaieren over de feitelijkheden die de werkelijkheid in oneindige hoeveelheden aanlevert.
De vraag is echter of benamingen als kunst en poëzie voldoende weerstand kunnen bieden tegen dergelijke neigingen en gevaren. Op een bepaalde manier is kunst een besmet woord dat niet precies vertelt wat het doet of zou moeten doen. Het is afgeleid van kunnen en kunde, woorden die de macht en beheersing over de natuur benadrukken. Niet ontluistering of passiviteit of ontvankelijkheid staan in de woorden kunst en kunstenaar centraal, maar wil en maakbaarheid. Datzelfde geldt voor het woord poëzie, dat van het Griekse poièsis komt en maken betekent. Naar mijn idee is de kern van de kunst en van de poëzie niet kunnen of maken, maar dichten.
Dichten komt van het Latijnse dictare, een woord dat wij nog gebruiken in het woord dictee en dicteren. Het is een woord dat heel erg met de taal verweven is. Dicteren betekent zoveel als zeggen of voorzeggen. Er zit natuurlijk ook iets gebiedends in: het is een zeggen dat zegt hoe het zou moeten zijn. Als je dicteert leg je een voorstel op aan de werkelijkheid, doe je een suggestie. Via de vertaling van dictare naar zeggen kom je al snel bij het Duitse Sage, dat enerzijds taal betekent, maar anderzijds ook mythe of logos.
Daarmee hebben we de dubbele beweging te pakken die het dichten naar mijn idee moet kenmerken. De mythe of de logos legt traditioneel de structuur van de werkelijkheid open en geeft de lijnen aan waarbinnen we ons kunnen bewegen en waarbinnen we ons leven kunnen begrijpen. Nu ligt de tijd gelukkig achter ons dat dat op een afgeronde en min of meer dogmatische wijze gebeurde. Het is bovendien heel erg onverstandig om dat in onze moderne tijd nog eens dunnetjes over te willen doen. Het gedicht is daar helemaal niet meer geschikt voor. Dat wil niet zeggen dat het heeft afgedaan. Sterker nog, niet de werkelijkheid, maar dat wat die werkelijkheid te buiten gaat, de kieren waarin de werkelijkheid door zichzelf heen valt en naar zijn eigen grondeloosheid loert, is het terrein van het gedicht geworden. Die kier, die kloof poogt het gedicht te openen en te verwijden. Het wil er de contouren van aangeven, het onleefbare ervan niet verzwijgen en er momenten van aanzijn in bewerkstelligen. Alleen als dat lukt en de ontvankelijkheid van de passiviteit zich nestelt tussen het weten en het handelen, kunnen de resten van onze ontrafelde identiteit samen scholen rond de suggesties die uitgaan van die grondeloze vrijheid.
De urgentie van het dichten is met dit alles aan de ene kant een maatschappelijke urgentie. Het is de hoogste tijd dat de kunst als dichten de taak weer op zich neemt om de vrijheid als vrijheid open te leggen. Alleen dan kan er ruimte ontstaan tussen het weten en het handelen. Op het moment dat die twee zo nauw met elkaar verweven zijn als op het ogenblik het geval is, dreigt er een technologische collapse die uitmondt in de illusie van de volledige maakbaarheid van de samenleving die het persoonlijk geluk en de eeuwige liefde zou kunnen arrangeren.
Aan de andere kant is het dichten urgent in het licht van deze onpersoonlijke maar sublieme vrijheid zelf. Dichten is mijns inziens de enige remedie tegen een ondergang in deze dimensie, die het dichten zelf al dichtend openlegt. Wie in antwoord op zo’n dimensie wil schrijven, is niet klaar door zich simpelweg te voegen naar het ontluisterende en identiteitsloze en onpersoonlijke van die dimensie. Dat leidt slechts tot ondergang. Hij of zij zal moeten terugschrijven, want terugschrijven is het enige houvast dat je daar geboden wordt. Wie terugschrijft kan in de ervaring van zijn ontmanteling nog iemand zijn. En alleen door iemand te zijn is het mogelijk antwoorden aan die vreemde dimensie van het vrije en andere te ontlokken, antwoorden die kunnen uitmonden in suggesties over datgene of diegene die binnen die dimensie kan verschijnen.
Zolang dergelijke suggesties als suggesties worden vastgehouden zorgen ze ervoor dat het vreemde en verontrustende veld van de sublieme vrijheid én open komt te liggen én bewegwijzerd wordt, zodat de argeloze voorbijganger niet al bij de eerste stappen erin verdwaald of zich geschrokken er definitief van afwendt. (oorspronkelijke gepubliceerd in De volksverheffing, jaarboek voor poëzie 2005)