HOME




me
in je
uitmergelen,
me in je verlustigen
aan mijn zoenofferend
verteren, me gebrandsuikerd
stukvliegen tegen je wal van weemoed,
me vastvriezen in zomertijd, me jouw doodlopende
wegen naadloos aan de lipgroeve weven, me aan je ingewand
vastlassen, me minuut voor minuut in je ontbreken, me je de schuld bekennen

opdat ge niet zult breken (leuk dat je belt, kies een nul om verder te gaan)


die nachtgestremd in me uitstrompelt en beitels slaat in je boesemgeurende
bedwelming en spinrag plakt op het gehakkel tussen mijn tanden
en de spaarlamp in mijn geheugen kortsluit die voorgeeft
dat ik je nog koester, dat ik je nog wolkenloze
hemels uitspan, dat ik je nog toestroom
in het wondvocht dat me millimeter
voor millimeter naar je oprolt,
dat ik je nog huil, dat
ik niets anders
kan dan
nogal
zelfonthutst
en mijns ondanks
fruitvliegjes vangen
en vlinderstrikken leggen
rond de adamsappel die het
woordspel in mijn taalspleet heeft
afgefakkeld, uitgedampt en teruggekerfd
in de uitstulping van perzikvel waarin het dodelijk
moederlijke gechromosoomd werd in het mij daartussen


opdat ge niet in liefde dodende zult zijn (voor dating, kies 1)

dat ik met afkomstschendende vingers van mijn borst kras
tot de huid komt en is afgestroopt en de melk komt en is
opgedroogd en het bloed komt en is weggeveegd en
de korst komt en is afgevallen en het erge
komt en is uitgedoofd en het niet
te vergevene en is opgelost en
het niet daar liggen
kunnende en is
losgezworven
en het
zo
zacht
als je mijn
herinnering insneeuwt
nestelt waar ik niet meer woon
kietelend wijst op mijn verlegen
feilen dat ligt te roesten in de nacht
en schuil zoekt in het hoofd dat mijn schaamrood
rimpeltje voor rimpeltje uittast tot het een toegeven en
neerliggen is, een vluchten in de holte waar nooit vat op is gekregen


opdat ge niet eens anders mannelijkheid omstuift (voor direct apart, kies 2)

en gevlakt dus in je uitmonden en je binnenwereld bemodderen
in stille aanspraak op de weerloosheid van je vergiffenis
me daarin ontwaren en onthemen tot het donker
is geweest geschreeuw ben geworden en
uitgekleed en naakt je elleboog
zich in mijn maagstreek
boort, hard en zonder
pardon, alsof niets
buiten ons
tweeën
vooral
vanwege
mijn ongemoeid
gelaten oorzakelijkheid
zo dicht tegen je rafelende
pels aan kruipen dat ik het zijn
in je aftroggel en poeder maak
van de narcis in je hoofd tot het een
in je stokken is van klamme handen die
je varkenslucht betasten en vuurtje stoken op je huid


opdat ge 't niet valselijk aan een uwer dierbaren verricht (zoek je een man, kies 2)

die niets meer machtig is maar wel bewogen wordt door
het kloppende gevoel van aaneengesloten
haast dat geurt tussen je benen en
mij bekropen wordt zonder
het willende te moeten
verrichten aan de
zanderige bij-
smaak die uit
mijn stengel
strompelt
o
zo zijnde
bedolven, dwars
door je stalen haarval
heen, met herfstbladerwoorden
die zonder voorspel het vochtige
hier-zijn ontrukken aan de lamenterende
meedogenloosheid waarop jij je met je doos van
Pandora dermate hoopvol hebt vastgezogen dat mijn
wetteloos geworden voorhuid je alsnog de materie ontfutselt,


opdat ge niet andermans kalf of koe begeert (zoek je een vrouw, kies 1)


je de gemeenplaatsen uitkrabt en je de gedigitaliseerde
toekomst verstiert om je toegankelijk te maken voor
de stottering van het wederzijdse die explo-
deert in onze kelen als ons geronnen
lied splijt en uitzaait in onze
oogopslag tot we gevieren-
deeld er niet meer
toe doen _ o zo
zijnde gemin-
streeld
daar
iets zijnde,
daar waar je met
inktzwarte handen klauwt in
het gangenstelsel van mijn ziel,
daar iets dat niet meegeeft maar wel
verleidt en verraadt, daar iets dat mijn
geheugen de das om doet, hoe onomstotelijk ik
er ook het verlepte vlees op leg, het dood zwijg,
er de nagels van afruk en er het aangezicht van scalpeer

opdat ge niet rust op het iets van uw naaste (zoek je iemand onder de 25, kies 2)

sinds ik door jou ben geworden in het uiterste midden, waar
ik wel zeker door de schedel getast zal zijn vanwege
het onkruid van berispingen dat gewied moet
worden in mijn hoofd: de handhark
erdoorheen tot het bloed daar
bloedt en je vingers de nacht
verhemelen en mijn iets
in je uitloopt als
afgebrokkeld
bakeliet
die
mij blind
maakt die mij
ziet, die de uiterwaarden
van mijn gevoel binnenstroomt,
die de orgelpijp van mijn ranke en
vochtige taalmachine breekt, die nagels
zet in de nachtelijke stilte tussen mijn billen,
die haar opgewonden waarneming dompelt in de
onderstroom van de in mij afgedwongen onbaatzuchtigheid


opdat ge niet andere gestalten van vocht bedient (zoek je iemand boven de 25, kies 3)


waar ik als een gecastreerde forel tegenop streef, als een
trekvogel die het op de zon gemunt heeft omdat
het zo vreselijk lichtgevend beginnende
dermate dwars in mij is overgestoken
dat geen breedtegraad meer
meetbaar is en ik je
onoverbrugbaar
ver weg tussen
mijn vleugels
uitsla
je
onzinnigheid
ontzenuwd, je bi-
lateraal ontzindelijkt, je
schaamhaar uit je lies gebeiteld,
je aambeien uitgezogen, je ongegeneerd
in de donkere kijker genomen om in de zoete
smetgeur van je omwalling te hooi te gaan en te
gras en te veel en te vaak en te liefst en te vallend
te verbloeden langs het rotsmassief van verlegenheid

opdat ge niet uwer naaste tederheid ijdel gebruikt (wil je een leuk gesprek, kies 1)

dat blaren in mijn mond drukt, mijn ongeloof als hop te drogen
legt, mij verlijdt aan innerlijkheid en mij innaait in
devotie als de buitennissige gespletenheid van
je beendergestel schroomvallig door me
heen wacht, stoom afblaast rond
mijn bonkige enkelvoudigheid
en uiterst wordt aan de
periferie van onze
verdeeldheids-
zone
het
voorgeslacht
dat mij gekruist heeft,
behang is aan de blinde
muren van mijn woning, mij
ingeklemd heeft in de orde van aarde
en bloed en zich uitbraakt over de zachte
tegenstreving van mijn vuist, wakkert de tyfoon
van het zo-zijn onophoudelijk in me aan, die zee
van moederlijkheid die butsen slaat in mijn hemel,


opdat ge niet uitmondt in eerbetoon (wil je een spannend gesprek, kies 2)

waar jouw tijdhand lussen om legt, me seconden tikkend insnoerend
met vergeet-me-nietjes die geurend mijn erfelijkheid verhaspelen,
me vierkant in je weg doen vloeien, me vangen in wat
zich in jou uitweest: dat terug aan de schuld
van onze geilwond, aan de liesbreuk in je
schonk, aan de schittering van
je tranenketting: dat stro
in de brandstapel onder
je druiven-
tros
zijnde
een bolwerk
van zijden kruisingen
zijnde een machientje met
aberraties dat onverbloemd je
dijen opzuigt en geur en blonde ogen
zijnde daardoor berstens vol en tot verdrinkens
aan toe vervuld van opperste broosheid zonder welke
een hart van lood is en een ziel joy rijdend ten onder zijnde
een vleugje zout over aardappelen waarin geen vork steken blijft,

opdat ge niet god geniet (je kunt nu elk moment worden doorverbonden)

zijnde aldus een aanzetting tot zo bescheiden mogelijk in je uit zijnde
een generering van afwezigheid die nauwelijks nog een hand zijnde
een arm dan wel hoofdhuid of oogappel die gestreeld zijnde
en mateloos in slaap gesust en weggedommeld zijnde
niet meer vastgezeten is en daarom
eindelijk gegeven kunnen zijnde
in alles wat zich in mij om
jou geeft, of ook wel
uitgesmoord zijnde,
boombladstil
Voor Hans F.