
Fragment hoofdstuk 1
Fragment hoofdstuk 2
Fragment hoofdstuk 5
Fragment hoofdstuk 1
De lach
(…)
‘Snel, de paarden, de paarden rukken aan.’
Bruuske bewegingen in het predikerskleed. Een blik die opkijkt over de
hoofden van zijn volgelingen als om de strekking van deze wonderlijke
uitspraak af te tasten. Weer terug naar mij, de getormenteerde. Lieftallig
eigenlijk, zo blank in de modder, zie ik hem denken. Dan nog een keer
fronsend omhoog langs de schuren de verte in. Iets horen nu. Niet iets
dat zwelt en wegebt, dat bruist en ruist zoals ik had beloofd. Eerder
rommelen, slaan van het koren, trappen in de wijnpers.
Nog maar eens kijken. Het woord paarden door zijn hersenen laten stuiteren.
Het aan laten schuiven bij de geluiden die hem net van zijn stuk brachten.
Gisting voelen in zijn hoofd. Maar nog geen besef. Pas als hij de zwarte
puntjes in de sneeuwbrij ziet, gaat het hem dagen, het verre gedraai als
van paardenkoppen tegen hun bit aan, dringt eindelijk tot hem door. Weten
en angst spuiten in één adem uit zijn mond: ‘de paarden,
de paarden rukken aan.’
De man die men mijn vader noemt, springt als eerste op. Hij grijpt zijn
kans de misdeelden aan te voeren en naadloos aan te sluiten bij de woorden
van de prediker. ‘De kerk, de kerk, de kerk’, gilt mijn moeders
vruchtbrenger met overslaande stem. ‘Verschans jullie in de kerk.’
De mensen hebben het begrepen. Een voor een verlaten ze hun verontwaardiging,
voelen hun eigen hachje rond hun hart branden. Als een kudde schapen zie
ik ze los komen uit de modder. Ze leggen over het getrappel dat nadert
uit de verte een doffe deken natte voetstappen die hen nauwelijks vooruit
beweegt.
Als iedereen weg is, lig ik daar nog, alleen. Het volk zit in de kerk
met de deuren dicht. De klok houdt op. Links naast me een voorzichtige
stap. Fluistering in mijn oor: dat ik mooi ben in de marteling en waarschuwing.
Dat hij verscheurd wordt onder zijn lafheid en onderduiking, maar dat
hij niet anders kan, dat hij op zoek wil gaan en mij mee wil nemen. Geroerd
ben ik door zijn broze toewijding en lichte aanraking. ‘Laat mij’,
zeg ik glimlachend met laatste moeite, ‘laat mij, ze staan op het
punt van komen en zullen niet sparen. Zoek je heen, kijk uit voor de brandschatting,
verdwijn in het gat van de stenen put, zak desnoods in water als moedertje
Maria, maar laat mij als alles voorbij is niet alleen. Ga.’
Het lukt Kaspar nog net voor ze binnentrekken. Ik zie hoe talrijk ze zijn
en hoe hun gewelddadigheid uitzwermt tussen de boerenkotten: de paarden
met de strijders erop, de groen uitgeslagen bronzen helmen die lange lome
schaduwen leggen over de vertrapte besneeuwing van het veld, de lachsalvo’s,
de lansen die op goed geluk door de strooien wanden van de schuren prikken,
nauwelijks malend om het koeienbloed dat loeiend naar buiten spuit. Ik
zie hun vreemde schuine ogen met olijfgroene huid eromheen die zo spant
dat ze me de nonchalante stijfheid van hun geslacht doen bevroeden, mij
lichte opwinding gevend en weeë klopping van mijn lid. Ik zie de
geborduurde zadeltassen met voedsel en kostbaarheden. Ik zie het meisje
dat een van de ruiters met zich meevoert, op haar buik dwars over de achterhand
van zijn paard gebonden, de buit van een vorig dorp, niet gedood, uitgesteld
genot, misschien gereserveerd voor de hoofdman. Haar mond en ogen zijn
verwrongen van verbeten levensdrift en van angst voor de genoegdoening
die ze zal moeten verschaffen aan vreemde lichamen. Ik voel lichte verrukking
bij haar aanzien in die geschilderde seconden van de binnentrekking, bij
de ontmoetende overeenstemming tussen de grimmigheid die om haar lijf
hangt en de al in mij losgeslagen kwelling. Ze wekt een innigheid die
ik alleen in Kaspar heb aangeraakt. Ze huilt als ze haar hoofd van het
schuddend bruine dier opheft.
In een kring, paard aan paard, zwaardschede aan rijlaars staan de machtig
bepantserde mannen om mij heen. Zonder ophef branden achter de krijgers
een paar schuren af, ook die waarvandaan Kasper mij tot nog toe in de
gaten hield. Zinloos verderf schuimt over ons schamele dorp, begeleidt
door de smalende glimlach van de dringers. Ze grijnzen mij aan vanaf hun
hoge zetels, kennen de pijn in mij, tarten mijn beproeving met hun afwachting,
stellen zich op als heersers van de tijd, verlokken mij ertoe het met
hen aan te leggen, beloven met hun stille lach mij weg te zullen halen
bij de dood als...
Ze zetten mij aan tot het verraad van mijn dorpsgenoten en van de geheime
geliefde die ik in mijn lichaam draag, maar ik weersta het me te koesteren
in hun macht. Ze prikken wat naar me, laten hun paarden over me heen stappen.
Buiten mezelf lach ik erom. Het maakt ze furieus. De lach is hun voorbehouden,
niet hun slachtoffers. Als de glans uit hun ogen schittert de vreemde
taal die ze voor mij verborgen wilden houden uit hun monden. Het is een
waterval van klanken en uithalen die wordt gevolgd door het gillende gesnerp
van de hoofdman rechtstandig boven mij. In duikvlucht valt hij langs zijn
paard, zakt naar de grond en vat mij met zijn gespijkerde hand onder luid
gejoel bij mijn haren en trekt mij op uit de modder. Zijn bulderende tegenlach
spuit als sperma over mijn wangen en spant me aan tegen de grijze lucht.
Onder
terug naar boven
Fragment hoofdstuk 2
De onderwereld
(…)
Tegen een witte muur bevoelt een in blauw geklede vrouw een bad. De damp
slaat ervan af. Voor de kuip liggen zware tapijten. Overal brandt kaarslicht,
daglicht valt niet binnen. Ik ben nog niet aangekeken of aangesproken.
Misschien is het niet de bedoeling dat ik al wakker ben. Misschien word
ik geacht nog langer in het schimmenrijk van de droom te dwalen. Ik besluit
het spel mee te spelen, verroer me niet, en ga verder met luisteren. Met
luisteren naar water, met luisteren naar zee, met luisteren naar pijn.
De vrouw die net het bad opschuimde, kijkt me aan, licht geamuseerd. Tegelijk
nodigt ze me uit. Ze heeft geen medelijden, toont zich niet bezorgd om
mijn flauwte en mijn diepe slaap daarna. Alsof ze in me zit en weet hoe
diep pijn aangrijpt en wanneer die overwonnen is. Ze draagt een blauw
kleed dat ze als een tulband om haar hoofd heeft gevlochten. De lange
uiteinden hangen naar beneden over haar lichaam. Een riem om haar taille
houdt de repen bij elkaar, waardoor een prachtig décolleté
ontstaat. Onwillekeurig stijft mijn lid, wat ik moet bekopen met branderige
pijn omdat de korsten knappen. Ik vertrek mijn gezicht. Zij glimlacht
en nodigt me met handgebaren uit me te reinigen.
Ze trekt zich niets aan van mijn aarzeling en schaamte. Ze wil dat ik
direct naar haar toekom. Ik gehoorzaam haar. Kom onder de dekens vandaan
en loop met mijn wilde lichaam naar haar toe. Net als gisteren door de
menigte vrouwen, wordt ik nu door haar geïnspecteerd. Ze kijkt eerst
of ik pukkels of zweren heb en ontdoet me dan van de witte doek met de
rode bloedvlek. Ze doet het langzaam en met overleg. Waar de witte lap
vastzit aan het losse vel van mijn lid, breekt ze zachtjes de korst, tot
ik van alle stof ben bevrijd. Ze monstert me nog een keer goedkeurend,
met liefde, maar zonder me verder aan te raken, en wijst dan weer op het
bad.
Terwijl ik me de hitte van het water op mijn huid laat welgevallen en
de geur van zweet en aarde laat verdrijven door die van mirre en lavendel,
draalt zij om mij heen. Ik verdrink mijn hoofd in de overdadige warmte,
duik een moment onder voor haar ogen, tel onder water tot veertig en kom
weer boven. Ze is er nog, in de verste hoek, zit op een krukje waar met
zorg een velours rode doek omheen is gedrapeerd.
De vrouw posteert zich weer voor het bad. Er zweeft een vage verwachting
door me heen dat ze zich gaat ontkleden en bij me komt. Dat ze dat niet
doet, maakt me gek. Ik moet wat zeggen. Nu. Zij heeft gewonnen.
‘Ben ik in het paradijs?’, stotter ik in mijn imitatie van
het dialect dat ik tot nog toe gehoord heb.
Een meewarig glimlachje van onder de tulband is het antwoord. De vrouw
loopt terug naar de hoek en kijkt haast gedesinteresseerd naar me vanaf
haar krukje. Ik zie nu pas dat de wanden van het vertrek allemaal beschilderd
zijn met buitentaferelen. Steeds is de indruk gewekt dat je vanuit de
kamer zo het veld in kijkt. Dat contrasteert nogal met de zwarte ijzeren
deur die de weelderigheid van de wanden in mineur zet. Het drukt me op
mijn situatie. De vrolijkheid waarin ik verkeerde, vloeit uit me weg.
‘Mijn kist, waar is mijn kist?’, breng ik in lichte paniek
uit.
De vrouw gebaart met haar twee handen dat ik rustig moet blijven, dat
er niets aan de hand is. Ze gaat staan en trekt de doek weg. Ze slaat
twee keer met haar vuist op haar borst en zegt dan haar eerste woorden.
‘Daar heb ik voor gezorgd. Ik weet wat jou bezield.’
Tot mijn opluchting kan ik haar verstaan, maar ik geloof niets van dat
laatste.
‘Jouw paradijs zit hierin, toch?’ voegt ze daarom toe.
Het is nu mijn beurt om met pijn om mijn mond te glimlachen. Die kist
is gevuld met beelden van een kerk die volledig is uitgebrand. Van een
man die met grote moeite de zwartgeblakerde deur een eindje open kan duwen
en tegen de genagelde planken zijn verstikte dorpsgenoten opgetast ziet
liggen. De paniek waarmee ze op elkaar zijn geklommen en geprobeerd hebben
de poort te ontzetten schreeuwt op hun gezichten. De man laat ze, geeft
ze geen troost, is alleen geïnteresseerd in Ossip. Wil zijn wens
vervullen, zoals hij steeds al zijn wensen heeft vervuld. De man heeft
zich zelfs voorbereid, heeft een kist gespijkerd en uit de verlaten smidse
een paar repen uitgewalst lood gejat: om de glimlach van zijn vriend in
te bergen. Is dat mijn paradijs?
‘Als ik er ben’, antwoord ik kortaf.
‘We’, zegt ze terwijl ze haar hoofd als een ridder in de lucht
steekt. Verwonderd kijk ik haar kant op. Vang bot.
Het water is afgekoeld. Ik begin het koud te krijgen. Met wat handgebaren
maak ik dat duidelijk. Ze knikt kort en komt op me toegelopen met de handdoek
die ze had klaargelegd. Net als net inspecteert ze me zorgvuldig op ongerechtigheden
als ze de handdoek over mijn huid haalt.
‘Nog drie dagen’, mompelt ze en wijst me mijn nieuwe kleren.
‘Wat nog drie dagen?’ vraag ik met grote ogen.
‘Ze hebben om je geloot. Drie vrouwen hadden hetzelfde nummer. Je
krijgt een maand om ze zwanger te maken. Ik moet je prepareren.’
Ik geloof niet wat ik hoor, vraag me af of ik wel goed versta wat ze zegt.
Ik wil niet om herhaling vragen. Houd me liever groot.
‘En jij, hoe heet jij?’
‘Nadja’, fluistert ze
‘Kaspar’, fluister ik terug en maak een lichte buiging.
terug naar boven
Fragment hoofdstuk 5
De zee
(…)
Onze handen brengen rust in het kind in de buik en in de ademhaling van
de vrouw. Het wordt zelfs zo stil dat ik me afvraag of ik er wel verstandig
aan doe zoveel handen te leggen op dit bolle universum. Het blijkt slechts
voorbereiding. De buik zwelt langzaam omhoog terwijl Nathalia vrijwel
geruisloos inademt. Ze gaat daar zolang mee door tot ze een varkensblaas
is die op knappen staat. In plaats van even rustig weer uit te ademen,
zwelt er in haar binnenste een onzalig gebrom aan. Tegelijkertijd spant
ze over haar hele lichaam haar spieren terwijl ze haar benen nog verder
optrekt. Het gegrom ontwikkelt zich langzaam tot een uitgerekte schreeuw
die duidelijk maakt dat de kracht die van haar lichaam bezit heeft genomen
voor geen enkele pijn terugdeinst. Met een van schrik vertrokken gezicht
draai ik me naar de vrouw aan het voeteneind toe. Die fluistert in een
mij vreemde taal met vaste tussenposes aanmoedigingen.
Het diepe inademen, het langzaam laten aanzwellen van haar oergrom tot
een kermende schreeuw, de spanning van haar spieren onder onze machteloze
handen gaat door in een cadans die me langzaam uit mezelf weg laat lopen.
De kracht en overgave en zelfopoffering maken me klein en nietig en futiel.
Toch halen de man tegenover me en ik onze handen niet weg. Onze rol is
bescheiden, maar helpt misschien de oerkracht waar Nathalia aan is overgeleverd
in banen te leiden.
Misschien.
Na tien, vijftien keer persen, als Nathalia van uitputting haar tranen
laat vloeien, zie ik een vlam van vreugde schieten door de ogen van de
vrouw aan het voeteneind. De bonk leven die zich zo weldadig wentelde
in de dikke buik, kruipt schoksgewijs onder mijn handen vandaan. De vrouw
grijpt met haar handen diep in het kruis van Nathalia, schreeuwt wat,
trekt en draait en tovert in minder dan geen tijd een onwaarschijnlijk
hoopje bloed besmeurd mens tevoorschijn. Heel even is het doodstil en
dan is het niet het schreeuwen van Nathalia maar het krijsen van haar
kind dat zich beidt in de stilte van het vertrek. Nog vastzittend aan
de navelstreng legt de vrouw het kind op de buik van Nathalia. Met ogen
vol trots en verbazing kijkt de man tegenover me ernaar. Ik heb snel mijn
handen teruggetrokken en voel me ineens volkomen misplaatst nu de moeder
haar hoofd optrekt en met ogen vol verwondering staart naar het vreemde
wezen dat daar ligt. Omdat ik me geen raad weet met mijn handen die de
buik van deze mij vreemde vrouw hebben beroerd, druk ik ze uit verlegenheid
even tegen elkaar, en gebruik dit gebaar als begroeting van dit nieuwe,
roze leven.
Voorzichtig kruip ik naar achteren en probeer van het bed af te komen.
Ik wil deze mensen alleen laten, ik wil ze hun eigen feest laten vieren.
In het schemerdonker scharrel ik naar de uitgang. Halverwege vind ik mijn
kist terug. De jongen staat ernaast. De angst is uit zijn ogen verdwenen.
Op zijn mond ligt een verrukte lach. Toch is hij niet helemaal tevreden.
Hij blijft maar knikken van het bed naar de kist en weer terug. Ik weet
niets beters te doen dan mijn schouders ophalen en doorgaan met het oppakken
van mijn kist. De jongen laat het niet toe. Zacht houdt hij mijn kist
op de grond en begint weer met knikken.
‘Wat wil je’, fluister ik in mijn beste imitatie van zijn
dialect.
‘U moet hem meenemen, waarom dacht u dan dat ik u hier naar toe
heb gebracht?’
Met grote ogen staar ik de jongen aan. Is hij gek of ben ik het. Dat kind
hoort hier, bij zijn moeder, niet bij mij. Snapt hij niet dat er alleen
maar dood en ellende in die kist van mij zit? Marteling en diep onrecht?
‘Maar…’ Ik kom niet verder. De lach op het gezicht van
de jongen is vervangen door de triestheid van teleurstelling. Zijn geknik
wordt dwingender. Ik wil hem zeggen dat het niet kan en waarom, tot ik
inzie dat het niet kan omdat ik vind dat het niet kan.
De jongen maakt gelijk gebruik van de twijfel in mijn weigering en legt
een lichte smeking in zijn geknik.
‘Al goed, al goed.’ Ik zeg het met zijn glimlach over mijn
lippen en wrik het deksel van de kist. We tillen samen de geopende kist
op en lopen er mee naar het bed. Dezelfde vrouw als net houdt de stof
van het hemelbed opzij. Nathalia heft voorzichtig haar kind op, dat uit
alle macht krijst naar de verdwaasde glimlach van zijn moeder. De jongen
knikt naar mij. Ik knik naar de jongen. De man, die sinds mijn stille
vertrek met een doek het hoofdje van zijn kind heeft gebed, komt naar
ons toe. Met een theatraal gebaar laat hij de zweetdoek in de kist dwarrelen.
terug naar boven
|